Colin

Een hoerenzoon, dat was hij. Letterlijk. Zijn moeder was een dame van lichte zeden, zijn vader haar klant. Niet lang na zijn geboorte werd hij gedumpt, Colin. Ik kende hem uit mijn internaat periode. Colin was een neger. De mooiste die ik ooit heb gezien. Ogen waar het kool in gloeide, klaar om het vuur te laten vlammen. Twee meter was hij, minstens. Colin zwierf op Utrecht Centraal en omstreken. Good guy who took a wrong turn. Colin was verslaafd. Gokken, drank, drugs. Maar Colin was ook belezen, en hij schreef gedichten. Prachtstukken. Stookolie als smeermiddel voor de blues. Zijn blues. Colin was niet van de straat, hij WAS de straat. Hij had zijn zaakjes prima voor elkaar. Hij was niet van de vuilnisbakken, hij liet anderen voor hem lopen. Ook dat zijn de wetten van de straat.

Ik kwam hem tegen op dat Utrecht Cenraal op Eerste Kerstdag. Lang niet gezien, heel lang niet. Hij sprak me aan. Of ik nog les gaf? Het klopte, ooit gaf ik les. Sportles. Vechtsport, basketbal, volleybal. Geen noemenswaardig niveau, maar het klopte. Verdomme, dat had hij goed onthouden. Maar nee, ik gaf geen les meer. Ik rookte inmiddels. Als een ketter. Hij ook. Het saffie werd gedeeld, het bier mocht hij hebben. Hij spreidde zijn armen in de traverse en riep: “My casa es tu casa!

En wat doe je dan? Waar heb je het over? Oude jongens krentenbrood? Ja, vrijwel meteen. Binnen een mum van tijd liepen we over memory lane weer naar ons basketbalveld achter het hoofdgebouw. “White men can’t jump”, riep hij. We schoten in de lach. Hij had gelijk. Het dunken is me nooit gelukt. Hem wel.

Vergeleken met hem is mijn leven wonderwel gelopen. Hij vertelde: jeugdgevangenis, afkickcentrum, brandstichting, opgepakt, vastgezeten. Voor ‘dingetjes’.  Dat nuanceerde hij later door aan te geven dat hij zijn territorium moest verdedigen. “Gast, wie wil het nou tegen jou opnemen?” We lachten.

Het was even stil. Van die stiltes die geen sociaal wenselijke opvulling behoeven. Stiltes waarin veel wordt gezegd. We keken rond. Ontevreden gezichten op een nog ontevredener lichaam op weg naar een treurige bestemming goedkoop aangekleed met varkensmedaillon in champignonroomsaus, wijn en servetten.

Ik trakteerde hem op een menu bij Burgerking. We aten. Met onze handen. Colin deed me denken aan Samuel L. Jackson als Jules in Pulp Fiction. Hij at net zo smakelijk terwijl hij zijn verhaal hield. Of ik wist hoeveel kerstdiners vanavond in knallende ruzie zouden eindigen. “Veel”, durfde ik te gokken. “Heel veel,” wist hij te beamen.

Twee tafels verder zat een gezin. Vader, moeder, twee kinderen. Jongen en een meisje. Ze zagen er wat slonzig uit, onverzorgd. Maar ze lachten, vrolijk. De vader keek liefdevol naar zijn vrouw en trots naar zijn kroost. Ik betrapte me op fluisteren toen ik tegen Colin zei welke mensen er nu op Eerste Kerstdag bij de Burger King zaten te eten? Colin had ze niet gezien. Hij slurpte, keek op. “Wij?”

Ik duwde tegen zijn elleboog, knikte met mijn hoofd richting het gezin. Hij kijken, ik kijken. Flarden vingen we op. De vrouw keek verliefd naar haar man, de kinderen bedankten hem voor het kerstmaal. Wat? Colin keek me aan en ik hem.

De vader was blij dat hij zijn gezin op deze dag hen dit had kunnen geven. Zijn vrouw, zijn kinderen waren vrolijk tevreden, dankbaar. Je zag het gewoon. Vier burgers, cola en wat friet. Dat was het. Dat was alles, dat was genoeg. Fortuin voor vier. De wereld om mij heen werd stil, alsof je het geluid van een tv uitzet. Ik begon te huilen. Een prisma van melancholie, pijn en geluk van 18 karaat stroomde over mijn wangen. Ik durfde Colin niet aan te kijken. Ik wilde me wel vermannen, maar het lukte niet. “Sorry”, zei ik al deppend.

Ik keek op en ik zag hoe het water het kool had gedoofd en de straat schoonspoelde.

Advertenties
%d bloggers liken dit: